“Mevrouw, ik ga dit toch nooit halen.”
Hij zei het zacht, bijna alsof hij hoopte dat niemand het echt gehoord had. Zijn laptop stond open, de opdracht stond klaar, maar hij begon niet. Niet omdat hij geen zin had, maar omdat hij ergens onderweg het vertrouwen was kwijtgeraakt dat zijn inspanning nog iets zou opleveren.
Veel docenten herkennen dit soort momenten. Studenten die afhaken voordat ze begonnen zijn. Studenten die uitstellen, niets inleveren of zich groot houden met grapjes en onverschilligheid. Van buiten lijkt het soms op ongemotiveerd gedrag, maar onder dat gedrag zit vaak iets anders. Veel studenten hebben simpelweg te weinig succeservaringen opgebouwd.
Ik noem dat weleens vitamine S.
Niet als leuke onderwijsuitspraak, maar omdat succeservaringen voor ontwikkeling bijna net zo essentieel zijn als voeding. Zonder die ervaringen raakt leerenergie langzaam uitgeput. Studenten gaan niet alleen twijfelen aan een opdracht, maar steeds vaker aan zichzelf.
In het mbo zien we dagelijks hoeveel invloed eerdere ervaringen hebben op hoe studenten leren. Studenten bouwen gedurende hun schoolloopbaan verhalen op over zichzelf. Verhalen als: ik kan dit wel, ik hoor hier, ik mag fouten maken en ik kan groeien. Maar ook: ik loop altijd achter, anderen zijn slimmer, ik stel toch teleur of waarom zou ik nog moeite doen.
Die overtuigingen ontstaan niet in één groot moment. Ze ontstaan in kleine dagelijkse ervaringen. Tijdens lessen. Bij feedback. In stages. Tijdens gesprekken. In hoe docenten reageren wanneer iets niet lukt. Juist daarom zijn succeservaringen zo belangrijk. Ze geven studenten nieuwe ervaringen die langzaam een ander verhaal mogelijk maken.
Veel gedrag dat we in het onderwijs snel bestempelen als motivatieprobleem, blijkt in de praktijk vaak voort te komen uit onzekerheid, spanning of ontmoediging. Dat zie je bijvoorbeeld bij studenten die blijven uitstellen, steeds hulp vragen zonder te starten, afhaken bij moeilijke opdrachten of direct roepen dat iets stom is. Achter dat gedrag zit regelmatig een student die probeert te voorkomen dat hij opnieuw ervaart dat hij tekortschiet.
En eerlijk gezegd is dat niet vreemd. Wanneer leren vooral voelt als falen, wordt vermijden soms veiliger dan proberen.
Wat we daarbij soms onderschatten, is hoe klein een succeservaring eigenlijk mag zijn. Voor de ene student is succes een hoog cijfer. Voor een andere student is succes dat hij überhaupt begint. Een student die na weken eindelijk een vraag durft te stellen in de klas, zet misschien een grotere stap dan zichtbaar lijkt. Een student die tien minuten geconcentreerd werkt terwijl hij normaal direct afhaakt, oefent misschien meer doorzettingsvermogen dan wij op het eerste gezicht zien.
Juist die kleine momenten zijn pedagogisch ontzettend belangrijk. Ze geven studenten opnieuw het gevoel dat ontwikkeling mogelijk is.
Het mbo vraagt ondertussen veel van studenten. Ze moeten plannen, samenwerken, reflecteren, omgaan met sociale druk, schakelen tussen school en stage en ondertussen vaak ook persoonlijke problemen dragen die niet zichtbaar zijn in het klaslokaal. Tegelijkertijd verwachten we zelfstandigheid, motivatie en eigenaarschap.
Maar eigenaarschap groeit niet doordat we het steeds benoemen. Eigenaarschap groeit wanneer studenten ervaren dat hun keuzes invloed hebben. Wanneer ze merken dat inspanning verschil maakt. Wanneer fouten niet direct voelen als afwijzing. Wanneer ontwikkeling zichtbaar wordt.
Succeservaringen vormen daarin de brandstof onder verdere groei.
Dat betekent niet dat onderwijs altijd makkelijk moet zijn. Studenten ontwikkelen zich niet door alles eenvoudig te maken of verwachtingen los te laten. Juist duidelijke verwachtingen én haalbare succeservaringen versterken elkaar. Studenten mogen voelen dat iets moeilijk is, zolang ze tegelijkertijd blijven ervaren dat groei mogelijk blijft.
In de praktijk zit dat vaak in kleine pedagogische keuzes. Een opdracht kleiner maken zodat starten haalbaar wordt. Samen even beginnen. Tussentijdse groei zichtbaar maken. Procesgerichte feedback geven in plaats van alleen corrigeren op resultaat. Benoemen wat al wél lukt. Erkennen dat iets lastig is zonder direct over te nemen.
En misschien nog wel het belangrijkste: blijven kijken naar beweging, ook wanneer die klein is.
Want studenten die langdurig vastlopen hebben vaak niet nóg meer druk nodig. Ze hebben een ervaring nodig waarin ze opnieuw voelen dat hun inspanning ertoe doet.
Soms begint dat met iets heel eenvoudigs. Een student die aan het einde van de les zachtjes zegt:
“Eigenlijk ging het vandaag best goed.”