"Hoe gaat het op je stage?"
"Weet ik niet."
"Wat wil je de komende periode leren?"
"Weet ik niet."
"Waar ben je trots op?"
"Weet ik niet."
Veel docenten, SLB'ers en praktijkopleiders herkennen dit soort gesprekken. Je stelt een vraag vanuit oprechte interesse en krijgt een antwoord waar je weinig mee kunt. Vaak ontstaat dan de neiging om harder te werken dan de student zelf. We gaan uitleggen, suggesties doen, voorbeelden geven of antwoorden invullen.
Maar wat als "weet ik niet" niet het probleem is?
"Weet ik niet" is vaak geen onwil
Wanneer een student "weet ik niet" zegt, wordt dat soms geïnterpreteerd als ongemotiveerd gedrag. Alsof de student geen zin heeft om na te denken of geen verantwoordelijkheid wil nemen.
In de praktijk blijkt het vaak ingewikkelder te liggen.
Sommige studenten hebben nooit geleerd om woorden te geven aan hun gedachten. Anderen zijn bang om het verkeerde antwoord te geven. Er zijn studenten die zo vaak beoordeeld zijn dat ze eerst willen weten wat het juiste antwoord is voordat ze iets zeggen. En soms is de vraag simpelweg te groot.
Vraag een student van zestien wat hij over drie maanden wil leren en de kans bestaat dat hij daar oprecht geen antwoord op heeft.
De reflex van de begeleider
Wanneer een gesprek stilvalt, gebeurt er vaak iets interessants.
De begeleider wordt ongemakkelijk. En dat ongemak willen we oplossen, dus gaan we helpen.
"Wil je misschien beter leren plannen?"
"Of zelfstandiger worden?"
"Misschien samenwerken?"
Voor je het weet voert de begeleider het denkwerk uit en hoeft de student alleen nog maar ja te knikken. Dat lijkt efficiënt, maar vaak gebeurt er dan iets wat we juist niet willen. De student leert dat de ander uiteindelijk wel met het antwoord komt.
Maak de vraag kleiner
Vaak zit de oplossing niet in een betere vraag, maar in een kleinere vraag.
In plaats van:
"Wat wil je leren?"
kun je vragen:
"Wat ging er vandaag beter dan vorige week?"
Of:
"Wat vond je vandaag lastig?"
Of:
"Wanneer liep je vandaag vast?"
Concrete ervaringen zijn veel makkelijker te beantwoorden dan grote reflectieve vragen.
Gebruik observaties in plaats van interpretaties
Een gesprek komt vaak sneller op gang wanneer je begint bij wat je hebt gezien.
Niet:
"Hoe gaat het met jouw samenwerking?"
Maar:
"Ik zag dat je vanochtend zelf naar die cliënt toeliep. Hoe besloot je dat te doen?"
Niet:
"Hoe gaat het met jouw ontwikkeling?"
Maar:
"Vorige maand vroeg je nog veel hulp. Vandaag probeerde je het eerst zelf. Wat was anders?"
Observaties geven studenten iets om op terug te grijpen.
Geef ruimte voor stilte
Dit is misschien wel de moeilijkste.
Veel studenten denken pas na nadat de vraag gesteld is, terwijl begeleiders vaak al na twee seconden opnieuw beginnen te praten.
Soms heeft een student gewoon tijd nodig. Een stilte van vijf of tien seconden voelt voor veel begeleiders ongemakkelijk. Voor een student kan diezelfde stilte precies de ruimte zijn die nodig is om een antwoord te formuleren.
Van antwoorden naar onderzoeken
De meest waardevolle gesprekken ontstaan vaak wanneer we stoppen met zoeken naar het juiste antwoord.
Een ontwikkelingsgericht gesprek draait niet om het invullen van een formulier of het formuleren van een perfect leerdoel. Het draait om nieuwsgierig onderzoeken.
Wat gebeurde er?
Hoe keek jij daarnaar?
Wat maakte dat je dat deed?
Wat zou je de volgende keer anders willen proberen?
Dat zijn vragen die studenten helpen om na te denken over hun eigen handelen.
Misschien is "weet ik niet" juist het begin
De volgende keer dat een student zegt: "Weet ik niet", kun je dat zien als een doodlopend gesprek. Je kunt het ook zien als een startpunt.
Niet als een teken dat de student niet wil nadenken, maar als een uitnodiging om samen verder te onderzoeken, want ontwikkeling begint vaak niet met een pasklaar antwoord. Ontwikkeling begint meestal met nieuwsgierigheid. En soms met een eerlijk: "Ik weet het eigenlijk nog niet."